De koolmees is een kleine, zeer behendige tuinvogel die vaak ondersteboven hangt tijdens zijn zoektocht naar voedsel. Zowel mannetjes als vrouwtjes hebben een zeer vergelijkbare kleurstelling, waardoor het voor het blote oog bijna onmogelijk is om de geslachten te onderscheiden. De kop heeft een blauwe kruin met een wit voorhoofd, de vleugels, nek en staart zijn blauw en de rug is geelgroen. De borst is geel met een donkere streep over de buik. Ze voeden zich voornamelijk met insecten en spinnen, maar eten buiten het broedseizoen ook fruit en zaden. Ze komen voor op het Europese continent, met een voorkeur voor een gematigd of mediterraan klimaat, en in delen van het Midden-Oosten.
• Koolmezen kunnen ultraviolet licht zien, waardoor het vrouwtje het mannetje gemakkelijk kan herkennen aan zijn felblauwe kap.
• De intensiteit van het geel op de borst wordt beïnvloed door het aantal gegeten geelgroene rupsen, vanwege de hoge concentratie caroteenpigmenten in hun voeding.
Kenmerken
• Lengte: 12 cm
• Spanwijdte: 18 cm
• Leefgebied: Bossen, met name eiken en berken. Ze kunnen zich aanpassen aan een drukkere omgeving zoals parken en tuinen.
• Voeding: Een breed scala aan insecten zoals rupsen, springstaartjes, sprinkhanen, libellen, oorwormen, motten en gaasvliegen. Ze eten verschillende zaden, waaronder zonnebloempitten, beukennoten en meidoornpitten. Ze zijn ook dol op noten, die ze vaak met één poot vasthouden en met hun snavel openkraken.